
Het aangekondigde principe is als volgt: de verhoging van het tarief van de roerende voorheffing wordt van kracht op de eerste dag van de maand volgend op de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad.
Op dit moment zijn twee scenario’s plausibel:
In de praktijk blijft het tarief van 15 % van toepassing op VVPR-bis dividenden die worden toegekend of betaald vóór de inwerkingtredingsdatum, zolang de wet nog niet is gepubliceerd.
Wij denken dat er ten vroegste vanaf april 2026 toepassing zal zijn!
In de meeste vennootschappen wordt de jaarlijkse algemene vergadering (gewone AV) gehouden tussen april en juni.
De dividenden die op dat moment worden beslist, betreffen het boekjaar 2025 en, behoudens een zeer late publicatie van de wet, vallen zij hoogstwaarschijnlijk onder het nieuwe tarief van 18 %.
Het is theoretisch mogelijk om de datum van de jaarvergadering te vervroegen, maar dat veronderstelt dat:
In de praktijk is deze optie voor de meeste KMO’s zelden realistisch. Maar zij is wel bespreekbaar: de kans bestaat dat de fiscus hiertegen bezwaar maakt en een algemeen anti-misbruikbeginsel zal inroepen.
Om de stijging van de roerende voorheffing voor te zijn, wordt meestal gekozen voor een bijzondere algemene vergadering die een interim-dividend uitkeert.
Dit mechanisme berust op de regels van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) inzake de uitkering van dividenden gedurende het boekjaar, mits naleving van de kapitaalbeschermingstests die eigen zijn aan de BV:
Binnen dit kader kan het dividend worden onttrokken aan:
Het maximaal uitkeerbare bedrag is nooit een „mechanisch“ gegeven. Het moet worden bepaald op basis van een zorgvuldige financiële analyse.
In de praktijk zal de werkgever-bestuurder moeten nagaan:
Een BV heeft op 31 december 2024 een overgedragen winst van 120.000 € en beschikbare reserves van 80.000 €.
Na analyse van de test van het netto-actief en het liquiditeitsplan besluit de raad van bestuur dat een interim-dividend van 50.000 € kan worden uitgekeerd zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen.
Als deze uitkering wordt toegekend vóór de inwerkingtreding van het nieuwe tarief, is zij onderworpen aan de roerende voorheffing van 15 % (oftewel 7.500 €), tegenover 9.000 € bij het tarief van 18 %.
Een van de gevoeligste punten is het bewijs van de datum van toekenning van het dividend. Bij een fiscale controle kan de administratie nagaan of de uitkering effectief is gebeurd vóór de inwerkingtreding van het nieuwe tarief.
In dat opzicht worden verschillende voorzorgen aanbevolen:
Kernvraag | Toepasselijke regel | Aandachtspunt |
Huidig VVPR-bis tarief | 15 % | Toepasselijk tot de inwerkingtreding van de wijzigingswet |
Aangekondigd nieuw tarief | 18 % | Toepassing op de eerste dag van de maand volgend op de publicatie |
Uitkering via jaar-AG | Weinig geschikt om te anticiperen | AG vaak na inwerkingtreding |
Interim-uitkering | Mogelijk via bijzondere AG | Naleving van netto-actief en liquiditeitstests |
Bewijsdatum | Betaling / rekening-courant + zekere datum PV | Veiligstelling bij controle |
De aangekondigde verhoging van de roerende voorheffing op VVPR-bis dividenden verandert het afwegingsproces tussen winstuitkering en winstinhouding aanzienlijk.
Hoewel er begin 2026 nog een anticipeerbare kans bestaat, vergt dit een strikte aanpak, zowel juridisch als financieel. Voor accountants en belastingadviseurs is de uitdaging om fiscale optimalisatie te combineren met strikte naleving van de bescherming van schuldeisers, zodat de kortetermijnkans niet omslaat in een juridisch risico op middellange termijn.