• FR
  • NL
  • EN

Belasting op meerwaarden. De inkoop van aandelen: stand van zaken en issues

Het uitschrijven van deze Blog leidde tot de, wat verrassende, vaststelling dat de Memorie van Toelichting bij de nieuwe veralgemeende meerwaardebelasting blijkt te bevestigen dat een inkoop van aandelen, wat verkopende natuurlijke personen betreft, fiscaal niet steeds een totaal onhandige techniek is, op voorwaarde evenwel dat de, in het verleden vrij standaard, herkwalificatie van de “proportionele inkoop” in een dividenduitkering niet om de hoek loert…

Het herbekijken van de vrijstellingen roerende voorheffing bij inkopen “ter beurze”, leidt tot de vaststelling dat de wettekst (samen gelezen met de bespreking in de Memorie van Toelichting) in de praktijk wellicht leidt tot een logisch samenhangend geheel, waarbij mogelijks de situatie van een “publiek aankoopbod” nog wat aandacht (geen roerende voorheffing) verdient (maar misschien ook wel krijgt).

Ik voelde mij verplicht in deze Blog de verschillende, soms erg uiteenlopende, dimensies van de “inkoop eigen aandelen” aan te raken. Feel free om diagonaal te duiken naar het U aanbelangende onderdeel…

  • De vraagstelling
  • De link vennootschapsrecht- fiscaal recht
  • De fiscale basisregeling theoretisch uiteengezet
    • Dadelijke vernietiging aandelen en gelijkgestelden
    • (Voorlopig) behoud aandelen
  • Toepassing van de nieuwe veralgemeende meerwaardebelasting op de inkoopbonus…
  • De inkoop “ter beurze”
  • Het openbaar aankoopbod


De vraagstelling

Illo tempore… werd een inkoop van aandelen fiscaal behandeld als een verkoop door de aandeelhouder en een aankoop door de vennootschap. Met dus meerwaarde realisatie door de verkoper, en de verwerving van een actief door de koper. En dit is de wijze waarop economen naar deze verrichting kijken, zoals bleek uit discussies in de schoot van de Hoge Raad van Financiën enige tijd geleden toen de huidige fiscale regeling onder de loep gelegd werd.

Echter, de belangrijke vaststelling is, mijns inziens, dat een inkoop van aandelen zeer diverse realiteiten kent. Wat fiscaal dus misschien wat minder eenduidig te vatten valt, zoals vandaag steeds meer blijkt.

De techniek wordt gebruikt:

  • Door beursgenoteerde vennootschappen om:
    • niet dadelijk bruikbare liquiditeiten ter beschikking van de aandeelhouder te stellen;
    • als “goede belegging” indien de eigen return-on-equity hoger is dan deze van andere investeringsmogelijkheden die men in het vizier heeft;
    • om “treasury shares” te verkrijgen met het oog op het voldoen aan een leveringsplicht ten gevolge van bestaande personeels-aandelenoptie plannen,
    • en… horresco referens…ter ondersteuning van de beurskoers in een setting waar “managerial economics” de bovenhand haalt;
  • Door operationele entiteiten die een gedeelte van de ter beschikking gestelde “equity” terugbetalen aan de aandeelhouder, soms na een desinvestering die tot een “contractie” (verkleining) van de vennootschap leidt;
  • Door kleinere vennootschappen als fiscale planningstechniek (zie verder).

Vanaf 1989 werd er (vrij resoluut) voor gekozen om feitelijke “uitkeringen” van reserves van een vennootschap fiscaal te behandelen als leidend tot een “dividend uitkering”. Dit is met name het geval telkens de uitbetaling van de prijs van de inkoop van aandelen gevolgd wordt door een vernietiging van de aandelen met verdwijning van het er aan verbonden eigen vermogen. Vermogen verdwijnt immers in de handen van de aandeelhouder, wat klassiek kenmerkend is voor de dividend-definitie.

Het feit dat deze aandelen mogelijks niet vernietigd worden (maar bijvoorbeeld aangehouden voor een latere her-verkoop), én dat de roerende voorheffing noodzakelijkerwijze verbonden is aan een “toekenning” van een inkomen en moeilijk later nog om de hoek komt kijken (cfr. Arrest van 2016, zie verder) vereisten echter de uitbouw van een fiscaal regime dat tot uiteenlopende resultaten kan leiden.

De nieuwe tekst meerwaardebelasting bevestigt deze trend en leidt tot een mijns inziens vrij werkbaar consistenter onderscheid tussen situaties waarbij de inkoop leidt tot een dividend, en deze waarbij deze alsnog leidt tot de realisatie van een meerwaarde door de verkopende aandeelhouder. Mét vanaf 1 januari 2026 de 10% heffing wat betreft aandeelhouders-natuurlijke personen.


De link vennootschapsrecht – fiscaal recht

De vennootschapsrechtelijke regeling en mogelijkheden, en de fiscale dimensie, lopen niet steeds helemaal parallel.

Zonder enige vennootschapsrechtelijke volledigheid na te streven, zijn de volgende elementen mijns inziens van enig belang:

  • Een rechtsgeldige inkoop van aandelen vooronderstelt en vereist dat voldaan wordt aan de vennootschapsrechtelijk gestelde voorwaarden voor besluitvorming, waarbij de algemene vergadering centraal staat. Wordt aan deze voorwaarden niet op een geldige wijze voldaan, dan gaat men er fiscaal van uit dat de eigen aandelen die dan toch zouden verkregen zijn, dadelijk vernietigd zijn. Met dus dadelijke toepassing van de “dividend regeling” van artikel 186 WIB92 (zie verder), roerende voorheffing enz. Ik heb in de praktijk situaties gezien waarbij met name financiële ondernemingen in het kader van een aandelen trading ook wel eens een eigen aandeel aankochten, zonder dat dit gebeurde in een door de algemene vergadering vastgesteld geldig kader, en er zich onverwachte fiscale issues stelden…
  • Vennootschapsrechtelijk is er thans geen maximum percentage van uitstaande aandelen dat kan worden ingekocht en ook aangehouden. De voorheen bestaande bovengrens van 20% werd afgevoerd. Fiscaal bestaat deze grens wel nog, in die zin dat van zodra men de grens van 20% eigen aandelen overschrijdt de bijkomend verworven aandelen ook dadelijk geacht worden vernietigd te zijn, met toepassing van de “dividend regeling”. Bijzonder is wel dat artikel 186 WIB92 de mogelijkheid voorziet dat de inkopende vennootschap zelf aanduidt welke van wie aangekochte aandelen geacht moeten worden tot de overschrijding te leiden… Bij gebrek aan zulke aanduiding, geldt een proportionele toerekening.
  • Vennootschapsrechtelijk kunnen inkopen van eigen aandelen enkel plaatsvinden in de mate de vennootschap op het passief van haar balans beschikt over “uitkeerbare winst”. Uitkeerbare reserves dus. Het bedrag van het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap wordt niet aangeraakt. Een kapitaalvermindering is een volstrekt verschillende verrichting, die een statutenwijziging vereist, en leidt tot de toepassing van diverse beschermingsbepalingen naar diverse stakeholders toe.

Fiscaal is de situatie totaal verschillend, en leiden een inkoop van aandelen (met vernietiging van de verkregen aandelen) en een kapitaalvermindering tot een quasi identiek resultaat! De uitbetaling van eigen vermogen waartoe een vennootschap in het kader van een inkoop van aandelen door de fiscale wet geacht wordt over te gaan, wordt proportioneel aangerekend op het kapitaal en de reserves vertegenwoordigd door de vernietigde aandelen. Voor een stuk betreft het dus een (roerende voorheffing vrije) fiscale terugbetaling van kapitaal…). En bij een kapitaalverminderingleidt de huidige tekst van artikel 18, tweede lid WIB92 er toe dat de uitbetaalde bedragen ook proportioneel worden aangerekend op het gestorte kapitaal (en gelijkgestelde bestanddelen) en de reserves van de vennootschap. In beide situaties vindt de aanrekening wat de reserves betreft eerst plaats op de (reeds) belaste reserves, wat een voor de vennootschap gunstige invulling is (want aanrekening op vrijgestelde reserves leidt tot verschuldigde vennootschapsbelasting). Het enige kleine verschil tussen beide regimes bestaat er in dat bij de kapitaalvermindering de niet in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves buiten beeld blijven wat betreft het in aanmerking te nemen kapitaal (zij worden bij de reserves gerekend), terwijl deze in het kader van de inkoop van aandelen niet specifiek worden vermeld.[1]

De bovenstaande verschillen hebben dan ook tot gevolg dat bij vennootschappen die tot één van deze verrichtingen zijn overgegaan, er nog nauwelijks een verband bestaat (laat staat enige gelijklopendheid) tussen de boekhoudrechtelijke bedragen aan maatschappelijk kapitaal en reserves, en wat fiscaal opgenomen is in de “reservestaat” van de vennootschap wat betreft gestort kapitaal en diverse soorten aan reserves.

Een laatste vennootschapsrechtelijke bemerking. Het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen maakt het vandaag ook mogelijk dat de statuten bepalen dat (bepaalde) aandelen door de vennootschap kunnen worden ingekocht, zonder dat een latere beslissing van de algemene vergadering vereist is. Dit is een techniek van “inkoopbare aandelen”, in het buitenland reeds langer bekend onder de benaming “redeemable shares”, die mij persoonlijk erg interessant lijkt in private equity situaties. Het gebruik ervan leidt tot de mogelijkheid om “tijdelijke equity” uit te geven, “terugbetaalbaar” onder voorwaarden zoals een lening op initiatief van de schuldenaar terugbetaalbaar is of kan zijn. Zoals gezegd, naar mijn oordeel in een aantal gevallen een verbazend efficiënte en nuttige techniek, een nieuwe “corporate finance” dimensie, die in de praktijk (naar ik weet) nog verrassend weinig wordt gebruikt.


De fiscale basisregeling technisch uiteengezet

De inkoop leidt tot vermindering eigen vermogen – de vernietiging van de eigen aandelen

De toepassing van de artikelen 186 tot 188 samen met artikel 18, eerste lid, 2ter WIB92 heeft tot gevolg dat de inkoop van aandelen voor de inkopende vennootschap leidt tot “uitgekeerde winst” (een dividend) en voor de ontvangende aandeelhouder tot een “dividend” en dit voor zover de betaalde prijs proportioneel niet wordt aangerekend op het gestorte kapitaal van de inkopende vennootschap.

Met alle gevolgen van dien.

Met andere woorden: de inkoop zelf is fiscaal een non-event, alvast voor de inkopende vennootschap. Cash wordt op het actief van de balans vervangen door de eigen aandelen. Standaard, echter zeker en vast niet altijd…, wordt er in een volgende stap overgegaan tot de vernietiging van de eigen aandelen. Dan verdwijnt de actiefpost en is er een corresponderende vermindering van het eigen vermogen. Het is deze vermindering die proportioneel wordt aangerekend op wat fiscaal geldt als “gestort kapitaal” en voor het saldo op de reserves van de inkopende vennootschap, met als gevolg:

  • De toerekening op het gestort kapitaal leidt tot een uitbetaling zonder verschuldigde vennootschapsbelasting, en zonder dat een belastbaar roerend inkomen wordt uitgekeerd (geen roerende voorheffing);
  • De toerekening op de reserves leidt tot een “dividend” dat belastbaar is bij de aandeelhouder als een dividend inkomen (veelal bevrijdende roerende voorheffing), met als onderscheid dat:
    • In de eerste plaats de toerekening geschiedt op “belaste reserves” van de inkopende vennootschap zodat er geen vennootschapsbelasting verschuldigd is;
    • Voor zover nodig en onvermijdbaar, vervolgens toegerekend wordt op de “vrijgestelde reserves” zodat er eveneens een heffing in de vennootschapsbelasting bij de inkopende vennootschap verschuldigd is.

Bij de aandeelhouder geldt bijgevolg voor wat betreft het op de reserves aangerekende bedrag:

  • Voor natuurlijke personen: de bevrijdende roerende voorheffing aan 30%[2] (tenzij er een vrijstelling is, zie verder), of zoniet de aangifteplicht;
  • Voor vennootschappen de toepassing van de DBI-aftrek voor zover aan de kwantitatieve en kwalitatieve voorwaarden van de artikel 202 en 203 WIB92 is voldaan.

Zoals gezegd, de dadelijke vernietiging is niet wat steeds gebeurt. De wet lijst nog twee andere situaties op die ná inkoop eigen aandelen leiden tot een dergelijke vermindering van het eigen vermogen van de inkopende vennootschap die evenzeer tot een “uitgekeerd dividend” leiden. Deze zijn logischerwijze het boeken van een waardevermindering op de aangehouden eigen aandelen, én de verkoop aan een derde voor een prijs lager dan de aankoopprijs. Logisch allemaal. En tot slot: wordt de inkopende vennootschap ontbonden en vereffend dan verdwijnen de ingekochte aandelen ook, maar dan vindt in ieder geval een “reuze-dividenduitkering” plaats ten belope van het gehele eigen vermogen bovenop het gestorte kapitaal.

Tot zover, logisch en duidelijk en samenhangend.

De inkoop met behoud van de eigen aandelen – geen (dadelijke…) vermindering eigen vermogen

Het is deze dimensie van het regime dat van bij de aanvang tot enkele issues heeft geleid, die vandaag mogelijks steeds meer “van de baan” zijn.

De vraag is niet zozeer wat er gebeurt indien de vennootschap de eigen aandelen aanhoudt (blijft aanhouden), en later desgevallend verkoopt met een meerwaarde. Op dat ogenblik is er nooit een “dividend”, want geen vermindering van het eigen vermogen.

De mogelijkheid bestaat ook dat de vennootschap in een eerste fase de eigen aandelen aanhoudt, en na een bepaalde periode, veelal minstens in het volgende belastbare tijdstip, overgaat tot de vernietiging van de aandelen of een verkoop met minderwaarde. Het probleem is dat de inhouding van de roerende voorheffing noodzakelijkerwijze geschiedt op het moment van de betaling van de inkoopprijs. Quasi steeds onmogelijk om deze op enig later tijdstip te gaan verhalen bij de initieel verkopende aandeelhouder. En deze verkopende aandeelhouder is overigens vaak niet op de hoogte van een dergelijke latere vernietiging of verkoop met minderwaarde.

De initiële administratieve circulaire was terzake relatief creatief en vooral zeer realistisch (maar ook een beetje laconiek). Er was sprake van het feit dat een vennootschap bij een latere dergelijke verrichting een niet ingehouden roerende voorheffing dan “ten laste” kan nemen. Met als kleine issue dat een “ten laste neming” van de roerende voorheffing door de vennootschap zelf mogelijks leidt tot een niet aftrekbare kost (OK) maar tevens tot een “grossing-up” berekening omdat de aandeelhouder dan geacht wordt zijn (bruto)bedrag als een netto-bedrag nar roerende voorheffing te hebben ontvangen. Niet evident.

Vandaar mijn grote sympathie voor de passage van de circulaire waarin de administratie stelde dat in de praktijk er wellicht niet dikwijls een issue zou zijn omdat de “inkopende vennootschap vanaf het begin zelf wel weet wat de plannen zijn”… Wet-theoretisch eerder origineel, maar zo redelijk en verstandig dat deze vaststelling inderdaad sympathie verdient.

Maar dus, naar natuurlijke personen toe een zekere “flou artistique” in geval van een verrichting die op een later tijdstip leidt tot een daling van het eigen vermogen van de vennootschap. Tot nader order was dit een relatief onschuldige “flou artistique” want de vraag of er dan toch geen belastbare meerwaarde gerealiseerd werd bij niet concrete toepassing van het bepaalde in artikel 286 WIB92 had geen belang. Deze meerwaarde is/was toch belastingvrij.

Anders ligt/lag de situatie bij een aandeelhouder vennootschap. Zeker “in die dagen” toen de DBI-aftrek 95% van het “ontvangen dividend” betrof en de meerwaardevrijstelling 100%. Hier wordt het arrest van het Hof van beroep van Luik van 27 april 2016 van belang, en de zeer positieve reactie van de administratie op dat arrest. Kort, maar correct, door de bocht stelt dit arrest dat de verrichting die krachtens artikel 186 WIB92 leidt tot een “uitgekeerd dividend” zich moet voordoen in het boekjaar dat de verkopende vennootschap de inkoopprijs ontvangt (en als winst in de resultatenrekening opneemt). Er is geen basis om te stellen dat een verrichting in enig later boekjaar zou kunnen “terugwerken” naar de kwalificatie van wat er in het inkoopjaar zelf gebeurt. Is er dus geen verrichting met vermindering van het eigen vermogen van de inkopende vennootschap in het jaar van de inkoop zelf, dan is er voor de verkopende vennootschap geen dividend, maar wel een gerealiseerde meerwaarde.

Deze analyse werd door de administratie aanvaard en sedertdien consistent toegepast wat betreft verkopende vennootschappen. Let wel, bij de inkopende vennootschap zelf blijft artikel 186 WIB92 volledig doorwerken, wanneer de verrichting ook plaatsvindt. Over een divers regime gesproken.

Trouwens, in een wereld waar in de vennootschapsbelasting zowel een “dividend” als een “meerwaarde” 100% vrijgesteld (kunnen) worden onder precies dezelfde voorwaarden, is er geen echte fiscaal-financiële issue.

Maar…. wat betreft aandeelhouders-natuurlijke personen is dit nu precies het moment waar de nieuwe wetgeving over de veralgemeende meerwaardebelasting om de hoek komt kijken!

Het tijdelijk aanhouden van de ingekochte aandelen kan op die basis dus leiden tot het vermijden van de 30% (bevrijdende) roerende voorheffing op het inkoopbedrag dat het door de aandelen vertegenwoordigde kapitaal te boven gaat, en leiden tot de 10% nieuwe meerwaardebelasting. Ik ga hier in de volgende alinea’s nader op in. Een mogelijke fiscale besparing die echter een oud debat weer tot leven wekt.

Indien een vennootschap overgaat tot een proportionele inkoop van aandelen vanwege alle aandeelhouders, zonder dat enig ander evident motief blijkt dan liquide middelen ter beschikking stellen van deze aandeelhouders lastens (boekhoudkundig) de uitkeerbare winst, en men aldus een anders eerder logische dividenduitkering vermijdt, dan komen wij terecht in een schoolvoorbeeld voor de toepassing van artikel 344,§1 WIB92: de algemene anti-misbruik bepaling. De inkoop kan dan fiscaal geherkwalificeerd worden als een dividenduitkering, en dit met toepassing van de gebruikelijke controletermijnen ter zake. De in deze Blog geformuleerde vaststellingen impliceren dus heel zeker geen fiscale vrijgeleide. En gezien de issue relevante aandeelhoudersbelangen betreft, zal men wellicht graag, bij een inkoop die niet duidelijk een uitkoop van één aandeelhouder uitmaakt, voorafgaande zekerheid bekomen middels een ruling. Het rulingbeleid ter zake lijkt mij nu reeds erg voorspelbaar…


Toepassing van de nieuwe veralgemeende meerwaardebelasting op de inkoopbonus gerealiseerd door verkopende aandeelhouders-natuurlijke personen

De Memorie van Toelichting bij de nieuwe meerwaardebelasting bevat een leerrijke en duidelijke passage over de “typedwang” in de personenbelasting. Een inkomen is belastbaar indien het kwalificeert als één van de 4 inkomenstypen die belastbaar worden gesteld. En een inkomenscomponent kan maar onder één van deze 4 categorieën vallen. Ze sluiten elkaar uit.

Of nog, de meerwaardebelasting kan niet van toepassing zijn op inkomen dat door duidelijke bepalingen van het WIB92 als roerend inkomen gedefinieerd wordt. Zij kan wel van toepassing zijn voor opbrengsten die buiten de dividend-definitie vallen…

Zoveel is duidelijk.

Dit betekent dat een inkoopbonus met betrekking tot dadelijk vernietigde aandelen, leidt tot de toepassing van de regeling die hier een “uitgekeerd dividend” van maakt (voor wat het deel aangerekend op het gestort kapitaal overschrijdt), en dus tot het realiseren van een opbrengst die in toepassing van artikel 18, eerste lid, 2°ter WIB92 gedefinieerd wordt als een dividend. Dus geen meerwaardebelasting. Zoveel is duidelijk.

Maar wat als de persoon in 2026 een inkoopbonus realiseert, en de inkopende vennootschap deze aandelen niet vernietigt, of alvast niet in de loop van 2026. Er zal dan ook geen bevrijdende roerende voorheffing worden ingehouden. En wat de toepassing van de fiscale wetgeving voor inkomstenjaar 2026 betreft is er geen roerend inkomen.

Moet men dan met verwijzing naar het zogenaamde “eenjarigheidsbeginsel” vaststellen dat dit 2026 inkomen zijn fiscale kwalificatie kent, en dat deze definitief is? Geen roerend inkomen, maar wel een verkoop aan hogere prijs dan de aanschaffingswaarde, dus een gerealiseerde meerwaarde? Met eventuele toepassing van de “foto-waarde regeling per 31 december 2025” voor de berekening van de meerwaarde?

Ik zou denken van wel. En voor het allereerst heeft deze bedenking een concreet fiscaal gevolg: deze meerwaarde is voortaan belastbaar aan 10%…

En één en ander is super logisch. Van een situatie 2025 met 30% roerende voorheffing bij vernietiging, en geen heffing als roerend inkomen noch op enige meerwaarde, stappen wij over naar een situatie van 30% roerende voorheffing bij vernietiging en een 10% heffing op de meerwaarde indien er geen dadelijke vermindering van eigen vermogen is van de inkopende vennootschap. Tot vandaag valt de gerealiseerde inkoop meerwaarde, indien deze niet geldt als dividend, buiten de 4 belastbare categorieën, aangezien geen van de in artikel 90 WIB92 opgelijste diverse inkomsten deze meerwaarde omvat. [3] Vanaf 2026 valt deze meerwaarde wel onder de lijst van de diverse inkomsten, met name het nieuwe artikel 90, eerste lid, 9°, c.

Of nog: de inkoopbonus is voortaan steeds belastbaar ofwel aan 30% met toepassing van de bevrijdende roerende voorheffing (op het deel van de inkoopprijs dat niet wordt aangerekend op het gestort kapitaal), ofwel aan 10% (op de hele gerealiseerde meerwaarde) onder de nieuwe veralgemeende meerwaardebelasting.

En laat het deze analyse zijn die ook bevestigd wordt in de Memorie van toelichting, die, mijns inziens, zeer terecht stelt:

“”Bijgevolg zal, in geval van inkoop van eigen aandelen waarbij één van de in artikel 186, tweede lid, WIB 92 bedoelde situaties zich voordoet tijdens hetzelfde boekjaar (met name, enige verrichting die leidt tot een vermindering van het eigen vermogen van de inkopende vennootschap; eigen toevoeging) , de aandeelhouder worden belast op het als dividend aangemerkte gedeelte van het overschot van de verkrijgingsprijs ten opzichte van het herwaarderingsaandeel in het volstort kapitaal dat door de overgedragen aandelen wordt vertegenwoordigd.

Omgekeerd zal, in geval van inkoop van eigen aandelen zonder dat zich één van de in artikel 186, tweede lid, WIB 92, bedoelde situaties voordoet tijdens hetzelfde boekjaar, de aandeelhouder worden belast op een meerwaarde op een financieel actief, ten belope van het verschil tussen de ontvangen prijs voor de bezwarende overdracht van de aandelen en hun verkrijgingswaarde.””


En wat met inkoopverrichtingen “ter beurze”?

In theorie geldt dezelfde behandeling als hierboven. Edoch er staan een wettelijke bepaling en praktische bezwaren in de weg…

In geval een genoteerde vennootschap overgaat tot de inkoop van eigen aandelen “in de volle markt”, geldt, in toepassing van artikel 264, eerste lid, 2°bis WIB92, een vrijstelling van roerende voorheffing, zelfs al gaat de inkopende vennootschap over tot de dadelijke vernietiging van de aandelen. De reden hiervoor is duidelijk: de verkopende aandeelhouder verkoopt “in de markt” en heeft er geen idee van, en kan ook niet weten, of hij verkoopt aan een derde of aan de vennootschap zelf.

Ongeacht de vrijstelling inzake de roerende voorheffing, blijft een inkoop gevolgd door een vernietiging (of een andere verrichting of situatie die tot een vermindering van het eigen vermogen leidt) gedefinieerd als een “roerend inkomen” door artikel 18, eerste lid, 2°ter WIB92. Zeker in geval van een dadelijke vernietiging (zelfde belastbaar tijdperk). Onder het principe van de “typedwang” zou er dus in dat geval geen meerwaarde worden gerealiseerd, en zou dus ook de nieuwe veralgemeende heffing niet van toepassing zijn.

Echter…de vrijstelling roerende voorheffing bestaat enkel en alleen omdat de verkoper op de markt niet weet aan wie hij verkoopt. De verkoper moet er helemaal niet van uitgaan dat hij verkoper is bij een inkoop van aandelen. Deze realiteit werkt ook door naar de nieuwe veralgemeende meerwaardebelasting.

De enige logische conclusie is dus dat elke verkoop van aandelen in de markt leidt tot de toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting. In theorie geldt dit… tenzij de verkoper kan aantonen dat hij verkocht in het kader van een inkoop en dat de aandelen die hij verkocht dadelijk vernietigd werden. Niet dus. Dat bewijs is gezien de werking van de markt inderdaad niet echt mogelijk. De afwezigheid van deze info leidde immers ab initio tot de invoering van de roerende voorheffing vrijstelling…

De eindsituatie is dus eigenlijk zeer logisch:

  • elke verkoop van beursgenoteerde aandelen in de markt is, meestal de iure maar zo niet de facto, onderworpen aan de nieuwe veralgemeende meerwaardebelasting;
  • dat een in de markt inkopende vennootschap geen roerende voorheffing dient in te houden, is bijzonder handig meegenomen om een overlapping (dubbele heffing) te vermijden. Behouden dus die vrijstelling. Of beter nog, en dit is mijn legistieke aanbeveling: de casus waar nu de vrijstelling geldt verplaatsen naar artikel 186 WIB92 zelf zodat er geen roerend inkomen meer aan de orde is. Maar die ingreep in de wetsformulering komt er wellicht (vooralsnog) niet.


En wat met een openbaar overnamebod op eigen aandelen ter beurze?

Het punt is dat een genoteerde vennootschap wel een programma tot inkoop van aandelen kan opzetten dat het tot uitvoering brengt door aankopen “in de markt” met vrijstelling van roerende voorheffing, doch dat dit niet mogelijk is wat betreft een openbaar overnamebod op eigen aandelen. Immers, aankopen “in de markt” dienen erg gespreid in de tijd te geschieden om forse koersopstoten in vaak vrij beperkt liquide markten te vermijden. Vandaar dat een openbaar overnamebod niet “in de markt” wordt geplaatst, doch wordt uitgevoerd “buiten de markt” aan de vastgestelde overnameprijs.

Echter, in de praktijk wordt bij een dergelijke verrichting steeds gewerkt met een financiële instelling als “beroepstussenpersoon”, en dit op een wijze die in concreto het quasi onmogelijk maakt precies op te volgen welke verkopers allemaal ingaan op het overnamebod en wat eventuele gevolgen zijn wat betreft de roerende voorheffing. Zeker niet indien de verrichting die de toepassing van artikel 186 WIB92, en dus de aanwezigheid van een dividend triggert, plaatsvindt na het einde van het bod, als de tussenpersoon uit de verrichting verdwenen is. Deze situatie verschilt van een zogenaamde blocktrade, die ook plaatsvindt buiten de markt maar waarbij een verkoper en een koper elkaar “one-on-one” vinden en alle informatie beschikbaar is.

Gezien de bewoordingen en benadering vervat in de Memorie van Toelichting zou de mogelijkheid ontstaan voor de inkopende vennootschap die het overnamebod lanceert om de vernietiging van de aandelen uit te stellen tot een later tijdperk. Dit is echter veelal niet de bedoeling, en de inkopende vennootschap wenst in haar balansen een correct beeld te schetsen, dadelijk na de afronding van het bod. Gezien de nu veralgemeende toepassing van de meerwaardebelasting, is de tijd wellicht rijp om de bestaande vrijstelling inzake de roerende voorheffing uit te breiden tot specifiek deze verrichtingen, zodat deze binnen België de facto opnieuw mogelijk worden. Wat vandaag niet zo is.


Tot slot …. Andere verkrijgingen

Het regime van artikel 186 in combinatie met artikel 18, eerste lid, 2°ter WIB92 dat er toe strekt een dividend te definiëren op het ogenblik dat verrichtingen met betrekking tot ingekochte eigen aandelen leiden tot een vermindering van het eigen vermogen van de inkopende vennootschap, is van toepassing op elke mogelijke verrichting of situatie die er toe leidt dat een vennootschap haar eigen aandelen verkrijgt.

Het typevoorbeeld: de omgekeerde moeder-dochter fusie waarbij een dochtervennootschap haar moedervennootschap door fusie overneemt en daarbij een pakket eigen aandelen verkrijgt.

Maar laat die topic dan weer het voorwerp uitmaken van één van de volgende blogs, over issues in verband met fusies van vennootschappen. De nieuwe wetgeving inzake fusies tussen zustervennootschappen noopt daartoe.



[1] De reden hiervoor is, m.i., dat de regeling bij de kapitaalvermindering een opdeling over gestort kapitaal en reserves invoert, waarbij dus alle bestanddelen van het eigen vermogen aan bod komen. Bij de inkoop van aandelen strekt de regeling ertoe een aanrekening op (alle) reserves voor een deel aan te rekenen op het gestorte kapitaal (wat meer éénrichting werkt).

[2] Het VVPR tarief van 15% voor kleine vennootschappen is op basis van de aanhef van artikel 269,§2 WIB 92 niet van toepassing op inkoop- en liquidatiebonussen.

[3] Tenzij in het wellicht zeer uitzonderlijke geval dat de verrichting niet kadert binnen het normale beheer van het privé-vermogen.

Mots clés