• FR
  • NL
  • EN

Federale begroting 2026: wat de Rekenkamer in twijfel trekt in de "kopie" van Arizona

De documenten die half februari 2026 aan de federale parlementsleden werden overhandigd – en besproken in de economische pers – komen tot eenzelfde conclusie: het Rekenhof oordeelt dat de opbrengst (of kost) van een aanzienlijk aantal maatregelen in de begroting 2026 te onzeker is. De kritiek betreft niet alleen technische “details”, maar ook macro-economische veronderstellingen, uitvoeringsplanningen en een transparantie die als onvoldoende wordt beschouwd om het Parlement in staat te stellen de begrotingsstructuur correct te evalueren.

Voor boekhoudkundigen en fiscale adviseurs is de relevantie niet politiek, maar methodologisch. Het gaat erom te begrijpen waar de herzieningsrisico’s liggen, welke mechanismen kunnen leiden tot verschillen tussen de aangekondigde en gerealiseerde begroting, en hoe deze onzekerheden in de praktijk tot uiting zullen komen (uitgestelde maatregelen, bijgestelde opbrengsten, nieuwe compensaties, enz.).


1) Wat verwijt het Rekenhof de begroting 2026 “in het algemeen”?

Het Rekenhof wijst vooral op drie structurele zwakheden :

  • Opbrengsten (inkomsten) en kosten (uitgaven) gebaseerd op fragiele veronderstellingen, soms niet gedocumenteerd of onvoldoende onderbouwd.
  • Een probleem van timing en uitvoering: verschillende maatregelen zouden pas laat starten (soms vanaf april), wat het effect in 2026 mechanisch verlaagt ten opzichte van de opgenomen bedragen.
  • Een tekort aan transparantie in de presentatie: het Rekenhof betreurt een “zeer summier” overzicht van een reeks maatregelen en tabellen die het niet mogelijk maken om de belangrijkste maatregelen te isoleren of hun opbrengst te beoordelen.

In de praktijk betekent dit dat een begroting er “op papier in evenwicht” uit kan zien, maar instabiel blijkt zodra de veronderstellingen worden getoetst aan gedrag, conjunctuur en implementatietermijnen.


2) Waarom krijgt de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen zoveel kritiek?

De kern van de kritiek is de veronderstelling van het zogenaamde “derde deel”, gebruikt om de impact van de beperking/uitsluiting in te schatten :

  • 1/3 zou terugkeren naar werk,
  • 1/3 zou overschakelen naar het leefloon (RIS),
  • 1/3 zou “van de radar verdwijnen” (eigen middelen, samenwonen, enz.).

Het Rekenhof betwist echter de aannemelijkheid van een snelle terugkeer naar werk en wijst erop dat de Nationale Bank eerder 10 tot 20% terugkeerders naar werk verwacht.

Ten tweede is er de verschuiving van lasten naar het RIS/OCMW. De teksten vermelden dat het aandeel verschuiving naar het RIS hoger kan zijn (in bepaalde grote Waalse steden wordt 40 tot 50% genoemd volgens gerapporteerde vaststellingen), en dat de begrotingscompensatie betwist wordt of onvoldoende onderbouwd is.

Voorbeeld (ter illustratie): als een gemeente 1.000 extra huishoudens ziet overschakelen naar het RIS met een tempo dat hoger ligt dan de federale veronderstellingen, is de impact niet alleen sociaal, maar ook begrotings- en operationeel (OCMW, begeleiding, personeel, financiering). Verschillen tussen veronderstelling en realiteit vertalen zich dan in “niet-begrote kosten” of “toe te voegen compensaties”.


3) Hoe zit het met langdurig zieken: waarom is het Rekenhof sceptisch?

Het bekritiseerde mechanisme lijkt op dat van werkloosheid: een verscherping van controles zou zorgen voor een “derde” terugkeer naar werk en een “derde” verschuiving naar het RIS.

Het Rekenhof merkt echter twee grote kwetsbaarheden op in de aangeleverde teksten :

  • De kost van de toename van het aantal RIS-begunstigden zou niet in de begroting zijn opgenomen, noch in 2026, noch daarna.
  • De verscherping van controles vereist menselijke middelen (mutualiteiten, RIZIV): het Rekenhof geeft aan dat het nodige personeel nog niet werd aangeworven of opgeleid, terwijl dit een succesvoorwaarde is.

Voor een praktijkdeskundige loopt dat uit op een eenvoudige regel: een “theoretische” voorwaardelijke besparing zonder uitvoeringsmiddelen heeft een hoge waarschijnlijkheid om bijgesteld te worden.


4) Welke “uitblinkende” inkomsten worden als het meest onzeker beoordeeld?

a) Bestrijding van fiscale fraude

De regering verwacht structurele inkomsten (bijvoorbeeld 300 miljoen in 2026, 600 miljoen tegen 2029 volgens de tekst); maar het Rekenhof zegt de methodologie van de FOD Financiën om de schatting te evalueren niet ontvangen te hebben en merkt op dat het actieplan nog niet is geconcretiseerd.

b) Belasting op meerwaarden

De FOD Financiën rekent op een opbrengst (roerende voorheffing) van 236 miljoen in 2026, maar het Rekenhof benadrukt onzekerheden in parameters (beurskoersen, gedrag, opt-out, uitsluitingen van instrumenten, modaliteiten).

c) Gedeeltelijke indexatie / “indexatie in centen”

Het Rekenhof bekritiseert dat bepaalde modaliteiten afwijken van de oorspronkelijke veronderstellingen (vooral het tijdschema voor het overschrijden van de spilindex) zonder herwaardering van de opbrengst in 2026, wat kan leiden tot een overschatting.


5) Waarom worden btw en accijnzen punten van begrotingsspanning?

In de teksten worden het afzien van bepaalde btw-verhogingen (cultuur/vrije tijd en afhaalmaaltijden) vermeld, wat een “gat” van meerdere honderden miljoenen euro’s veroorzaakt.

Wat de accijnzen betreft, stelt het Rekenhof vast dat de verwachte opbrengsten van de verhoging van accijnzen op aardgas met 195 miljoen overschat zouden zijn ten opzichte van de berekeningen van de FOD Financiën, zonder dat er een compensatiemaatregel is voorzien; en dat de impact van bepaalde verminderingen (bv. voor sociaal tarief) nog niet is verwerkt.

Deze punten hebben een praktische betekenis: de indirecte inkomsten (btw, accijnzen) kunnen snel “ontkoppelen” tussen intentie, juridische haalbaarheid, politieke aanvaardbaarheid en uitvoering. Wanneer ze wijzigen, moet de aanpassing elders komen.


6) Verbeteren de vooruitzichten echt na 2026?

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen aangekondigde bruto-inspanningen en de netto-verbetering van het saldo.

Volgens dit verhaal leidt een aangekondigde inspanning van 23 miljard, gevolgd door een extra pakket (9,2 miljard) niet mechanisch tot een evenredige vermindering van het tekort, omdat een deel daarvan nieuwe uitgaven financiert en omdat veronderstellingen (terugkaatseffecten, macro-economie) betwist worden.

Hier zien we een fundamentele kritiek die door het Rekenhof wordt uitgesproken: het enkel nastreven van een doelstelling rond de naleving van een Europese uitgavennorm zou op zichzelf de houdbaarheid van de openbare financiën op middellange termijn niet waarborgen.


Samenvattende tabel

Pakket maatregelen

Wat de regering “verwacht”

Wat het Rekenhof betwist (volgens de aangeleverde teksten)

Type risico

Werkloosheid (hervorming)

Terugkeer naar werk voor een aanzienlijk deel van de uitgesloten personen; kostenverlaging

Veronderstelling van het “derde deel” is fragiel; terugkeer naar werk eerder 10–20%; verschuiving RIS/OCMW onderschat

Onderbesteding, overschatting van inkomsten

Duurzaam zieken

Besparingen via versterkte controles

Kost RIS niet meegenomen; menselijke middelen (mutualiteiten/RIZIV) nog niet beschikbaar

Maatregelen niet tijdig uitvoerbaar

Fiscale fraude

Structurele opbrengsten (gekost)

Plan niet geconcretiseerd; methodologie voor opbrengst niet meegedeeld

Onzekere opbrengst / uitstel

Meerwaarden

Opbrengst 2026 gekost

Onzekere parameters, opt-out, uitsluitingen, gedragingen

Volatiele opbrengst

BTW / accijnzen

Extra opbrengsten

Bedreigde inkomsten (BTW); overschatting accijnzen (aardgas)

Te compenseren tekort

Gedeeltelijke indexatie

Besparingen 2026

Werkelijk schema komt niet overeen met veronderstellingen; opbrengst niet herzien

Overschatting 2026


Aanbevelingen voor boekhoudkundigen en fiscale adviseurs

Om deze informatie om te zetten in professionele meerwaarde (zonder teksten die nog niet beschikbaar zijn te anticiperen), komen vijf operationele aanbevelingen naar voren :

  1. Hanteer een “begrotingsrisico”-benadering van de aangekondigde maatregelen: maak onderscheid tussen wat technisch en juridisch al gestabiliseerd is en wat gebaseerd is op gedragsveronderstellingen of nog niet beschikbare uitvoeringsmiddelen.
  2. Vermijd het presenteren van opbrengsten als verworvenheden (fraude, meerwaarden, gedeeltelijke indexatie) in interne notities of simulaties: geef voorkeur aan scenario’s (laag / centraal / hoog) voor indirecte effecten.
  3. Let op domino-effecten (werkloosheid → RIS/OCMW; arbeidsongeschiktheid → controles → verschuivingen) omdat ze aanpassingen kunnen veroorzaken gedurende het jaar en tijdens begrotingscontroles.
  4. Bereid cliënten voor op de instabiliteit van indirecte belastingen (BTW, accijnzen): politieke en juridische keuzes kunnen de timing of de grondslag snel wijzigen, wat voorzichtigheid vereist in geïndexeerde budgetten en contracten.
  5. Versterk de pedagogie bij betrokken partijen: leg het verschil uit tussen “bruto inspanning” en “netto verbetering”, en herinner eraan dat het traject ook afhankelijk is van de macro-economische context en uitvoeringsdeadlines.


Conclusie

De aangeleverde teksten beschrijven een klassieke maar bepalende sequentie: een ambitieuze begrotingsschets, gevolgd door een institutionele controle die fragiele veronderstellingen en kalenderonzekerheden aan het licht brengt.

Voor de boekhoudkundige en fiscale beroepsgroepen is de uitdaging dubbel: enerzijds begrijpen waar de herzieningsrisico’s liggen; anderzijds cliënten methodisch begeleiden in het omgaan met deze onzekerheid, zonder te snel te veel te interpreteren van begrotingscijfers zolang de implementatieparameters niet gestabiliseerd zijn.

Mots clés