
Dat de wetgever voorziet in diverse vrijstellingen valt enkel maar toe te juichen, zeker gezien het feit dat veel van deze vrijstellingen ervoor zorgen dat er geen meerwaardebelasting verschuldigd zal zijn bij een zogenaamde ‘cashless transaction’ en/of ervoor (trachten te) zorgen dat er geen dubbele belastingheffing volgt.
De tekstuele omschrijving van deze diverse vrijstellingen in het Wetboek Inkomstenbelastingen (“WIB”) is echter uiteenlopend, gaande van ‘vrijstelling’ of ‘tijdelijke vrijstelling’ tot zelfs een ‘uitstel van betaling’, hetgeen de coherentie en leesbaarheid van de wet niet ten goede komt. In onderstaand artikel delen we de verschillende vrijstellingen daarom op in twee categorieën, met name de ‘tijdelijke’ en de ‘definitieve’ vrijstellingen.
Een aantal van de vrijstellingen wordt slechts ‘tijdelijk’ toegekend, waarbij de heffing van de meerwaardebelasting uitgesteld wordt tot een later ogenblik. De situaties die gevat worden betreffen immers quasi allemaal verrichtingen waarbij het ene financiële activum in het vermogen van de belastingplichtige vervangen wordt door een ander financieel activum. De ‘tijdelijke’ vrijstelling zorgt ervoor dat deze verrichting op zich geen heffing van de meerwaardebelasting met zich meebrengt, maar dat deze heffing pas volgt wanneer het nieuwe financiële activum het voorwerp uitmaakt van een belastbare handeling.
De ‘tijdelijke’ vrijstelling moet bijgevolg begrepen worden als een ‘roll-over’ van de aanschaffingswaarde van het oorspronkelijke financieel activum naar het nieuwe financieel activum. De belastbare grondslag - waarover in een later artikel meer - bij de overdracht onder bezwarende titel van het nieuwe financiële activum wordt als het ware vastgesteld alsof de tussentijdse verrichting niet had plaatsgevonden.
Zo worden ‘tijdelijk’ vrijgesteld:
Een laatste ‘tijdelijke’ vrijstelling geldt voor meerwaarden op financiële activa gerealiseerd naar aanleiding van een uitonverdeeldheidtreding die binnen de drie (3) jaar voortvloeit uit een overlijden, een echtscheiding of het einde van een wettelijke of feitelijke samenwoning. (4) Deze vrijstelling laat bijvoorbeeld toe dat broer en zus die ingevolge het overlijden van hun ouders een effectenportefeuille ‘in onverdeeldheid’ erven, uit onverdeeldheid kunnen treden zodat zij elk het exclusief gebruik en genot hebben van de helft van de portefeuille, zonder dat op deze uitonverdeeldheidtreding meerwaardebelasting verschuldigd zal zijn. Ook hier zal de uiteindelijke afrekening volgen bij de overdracht onder bezwarende titel van de respectievelijke effectenportefeuilles.
Daarnaast voorziet de wetgever ook in een aantal definitieve vrijstellingen, waarbij (een deel van) de gerealiseerde meerwaarde wordt vrijgesteld en als verworven beschouwd wordt, zonder dat er sprake is van enig ‘uitstel’ van meerwaardebelasting.
Zo voorziet artikel 96/2, eerste lid, 1°-3° WIB in zogenaamde ‘voetvrijstellingen’, waarbij een deel van de gerealiseerde meerwaarde niet belast wordt:
Daarnaast worden ook meerwaarden gerealiseerd op financiële activa die kaderen binnen het langetermijnsparen en de tweede en derde pensioenpijler, waarvoor de wetgever in een belastingvermindering heeft voorzien op het ogenblik van de investering in deze financiële activa, vrijgesteld. (5) Verder worden inkomsten belastbaar als roerend inkomen, beroepsinkomen of inkomsten die onderworpen zijn aan de taks bedoeld in artikel 184 van het Wetboek diverse rechten en taksen, alsook inkomsten toegekend door een ‘juridisch constructie’, vrijgesteld van de meerwaardebelasting. (6)
Tot slot wordt ook de verplaatsing van de woonplaats of zetel van fortuin door de belastingplichtige buiten België in principe gezien als een (fictieve) realisatie van alle financiële activa die deze belastingplichtige bezit (‘exit tax’). Artikel 413/1, §6 WIB voorziet onder bepaalde voorwaarden evenwel in een ‘uitstel van betaling’ (hetgeen de facto een ‘tijdelijke’ vrijstelling is), dat vervalt wanneer de financiële activa later worden overgedragen. Indien de desbetreffende financiële activa echter niet het voorwerp uitmaken van een belastbare handeling binnen de 24 maanden na verhuis, wordt deze vrijstelling definitief.
Concluderend kan gesteld worden dat de wetgever er middels bovenstaande vrijstellingen voor heeft willen zorgen dat courante (reorganisatie)verrichtingen, die weliswaar als belastbare handeling aangemerkt worden, niet belemmerd worden door de invoering van de nieuwe meerwaardebelasting. Daarnaast wordt ook voorzien in definitieve vrijstellingen die de impact van de invoering van de nieuwe meerwaardebelasting moeten temperen.
Afsluiten doen we met een ‘in memoriam’ voor vrijstellingen die het politieke debat niet doorstaan hebben:
Indien u vragen heeft over de impact van de meerwaardebelasting op uw familiale of zakelijke context, analyseren wij dit graag samen met u.
VOETNOTEN
(1) Artikel 95 WIB.
(2) Artikel 95 jo. artikel 96/2, eerste lid, 4°, WIB.
(3) Artikel 95/1 WIB.
(4) Artikel 96/2, eerste lid, 8° WIB.
(5) Artikel 96/2, eerste lid, 5° WIB.
(6) Artikel 96/2, eerste lid, 6° WIB.