
Tot en met aanslagjaar 2025 kwamen interesten betaald voor het verwerven of behouden van niet-eigen woningen (zoals een tweede verblijf) in mindering van de onroerende inkomsten.
Vanaf aanslagjaar 2026 wordt deze federale interestaftrek volledig afgeschaft, zonder enige overgangsregeling en ongeacht het tijdstip waarop de lening werd afgesloten.
Niet‑inwoners die in België gelegen onroerende goederen verhuren, zijn vrijgesteld van een aangifteplicht in de BNI indien het totaal van de onroerende inkomsten op jaarbasis minder dan 2.500 EUR bedraagt, tenzij zij andere aan te geven inkomsten hebben.
Om na te gaan of de drempel van 2.500 EUR overschreden was, konden de interesten op leningen aangegaan voor de verwerving of het behoud van onroerend goed worden afgetrokken. In de praktijk leidde dit er in vele gevallen toe dat de drempel van 2.500 EUR niet werd overschreden waardoor geen BNI-aangifte moest worden ingediend.
Door de afschaffing van de federale interestaftrek zullen vanaf aanslagjaar 2026 echter meer niet‑inwoners een aangifteplicht hebben omdat voormelde drempel in veel gevallen nu wel zal worden overschreden.
De wetgever had waarschijnlijk niet de bedoeling om daadwerkelijk een uitbreiding van de BNI-aangifteplicht door te voeren. De drempel van 2.500 EUR was immers ingevoerd om te vermijden dat niet-inwoners met beperkte Belgische onroerende inkomsten een aangifte moesten indienen. De kosten wegen niet op tegen de opbrengst.
Sinds inkomstenjaar 2023 past de fiscale administratie al een strengere interpretatie voor de vrijstelling toe. Sindsdien menen zij dat niet-inwoners met onroerende inkomsten van minder dan 2.500 euro toch een aangifte moeten indienen indien zij Belgische beroepsinkomsten hebben die niet in België belastbaar zijn, bijvoorbeeld door een dubbelbelastingverdrag. Dit is een betwistbaar standpunt.
Het verdwijnen van de gewone interestaftrek zal nu leiden tot een verdere toename van het aantal BNI-aangiften.
Neem gerust contact op met ons of met uw vaste contactpersoon bij Tiberghien.