
Dat het fiscaal recht van openbare orde is, is een van de basisbeginselen van ons fiscaal systeem. Maar langzamerhand zien we toch dat de rechtspraak uit rechtvaardigheidsoverwegingen van dit principe durft af te wijken, bijvoorbeeld bij overmacht en redelijk vertrouwen. Stap voor stap evolueren we dan ook naar de erkenning van een nieuw algemeen rechtsbeginsel, nml het algemeen rechtsbeginsel van de fiscale rechtvaardigheid.
Iedereen kent wellicht het gekende adagium dat “iedereen geacht wordt de wet te kennen”. In een rechtstaat is dat een fundamenteel basisprincipe en elementair om de samenleving op een geordende manier te laten functioneren. Wie de wet overtreedt zal dus doorgaans niet ver komen met het argument dat hij of zij niet wist dat de wet werd overtreden. In de fiscaliteit wordt deze regel bovendien nog versterkt, omwille van het feit dat het fiscaal recht van “openbare orde” is. Dit betekent dat er niet van de fiscale wet kan worden afgeweken, ook niet wanneer er afspraken met de fiscus moeten worden gemaakt. De fiscale wet moet toegepast worden zoals die is.
Mooie principes allemaal, maar is dat wel allemaal zo evident? De fiscale regels zijn vaak hypercomplex waardoor het helemaal niet meer vanzelfsprekend is om zo maar te poneren dat iedereen de fiscale wet maar moet kennen. Indien u bijvoorbeeld als (crypto)belegger net iets te actief bent geweest, dan kan de fiscus stellen dat u zich hebt bezondigd aan het “abnormaal beheer” van uw privé vermogen, waardoor u 33% meerwaardebelasting verschuldigd bent. Maar wat is normaal en wat is abnormaal? Dat is eigenlijk meer iets voor een psychiater dan voor juristen. En als u in dit verband overigens uw concrete situatie aan 10 juristen gaat voorleggen, dan zal u 11 antwoorden krijgen. Dus zo simpel is het allemaal niet om te stellen dat iedereen maar moet weten wat hij of zij fiscaal aan het doen is.
En wat als ook de fiscale administratie het fiscale spoor bijster is en de fiscale wet foutief toepast of verkeerd interpreteert? Wat zijn daar dan de gevolgen van? Stel dat de fiscus akkoord is dat u het 6% BTW-tarief kan toepassen op uw verbouwingen, of dat u de aankoop van een kunstwerk voor uw wachtzaal fiscaal kan afschrijven, maar dat dit standpunt van de fiscus achteraf foutief blijkt te zijn. Wat gebeurt er dan? Moet de fiscus zich dan houden aan het antwoord dat u hebt gekregen van de administratie, of zal de fiscus dan simpelweg de fiscale wet toepassen en u aanvullend belasten? Wel over deze vraag is de fiscale praktijk al decennialang aan het discussiëren.
In 1992 heeft het Hof van Cassatie in een van haar “mijlpaalarresten” erkend dat de fiscale administratie de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet respecteren. Dit betekent onder meer dat de fiscus het vertrouwensbeginsel moet respecteren en gemaakte afspraken met de belastingplichtigen moet nakomen. Van de overheid wordt immers verwacht dat zij zich als een betrouwbare partner gaat opstellen. Het Hof van Cassatie voegde daar in latere arresten echter dan wel aan toe dat fiscale akkoorden die ingaan tegen fiscale wetsbepalingen, geen gerechtvaardigde verwachtingen kunnen scheppen. In dit geval moet dan de fiscale wet gevolgd worden en moet het akkoord genegeerd worden.
In de fiscale rechtspraktijk werd dit als onrechtvaardig aanzien. Belastingplichtigen die ter goeder trouw en als goede huisvader contact zoeken met de fiscus om binnen de complexe fiscaliteit een duidelijk antwoord te krijgen op hun vragen, mag men achteraf niet afstraffen als zij van de fiscus een foutief antwoord hebben gekregen. Dat is eigenlijk niet meer dan menselijk, maar juridisch niet evident.
Maar gaandeweg is de rechtspraak toch in positieve zin geëvolueerd. Het eerste rechtscollege die hierover principieel stelling heeft ingenomen is het Europees Hof van Justitie in het Elmeka arrest van 14 september 2006. In dit arrest stelde het Europees Hof dat zelfs een onwettig fiscaal akkoord moet gehonoreerd worden door de administratie wanneer blijkt dat de belastingplichtige niets kan verweten worden en zich als een goede huisvader heeft gedragen.
Ondanks dit vrij helder standpunt van het Europees Hof van Justitie bleef het Hof van Cassatie echter vasthouden aan haar klassieke rechtspraak dat onwettige akkoorden geen gerechtvaardigde verwachtingen kunnen scheppen. Tot het Hof van Cassatie plotsklaps en out of the blue in een arrest van 12 maart 2026 haar standpunt is gaan wijzigen. In deze zaak had een Belgisch bedrijf ten onrechte van de fiscus het fiat gekregen om een octrooi-aftrek toe te passen, waarna de fiscus aanvullende taxaties ging vestigen. Het bedrijf heeft deze aanvullende belastingen betwist en kreeg hierbij gelijk van het Hof van Beroep van Gent, dat stelde dat er sprake was van “een gewettigd vertrouwen” dat door de fiscus moest worden gehonoreerd. De fiscale administratie ging in cassatie en kreeg daar nul op het request. In het arrest van 12 maart 2026 stelde het Hof van Cassatie dat er “een redelijk vertrouwen bij de belastingplichtige kan worden gewekt door een akkoord dat hij heeft gesloten met de belastingadministratie, ook al is dat akkoord strijdig met de fiscale wet” en verder “dat het aan de feitenrechter is om onaantastbaar in feite te oordelen of er sprake is van een redelijk vertrouwen.”
Dat arrest mag gerust een gamechanger in de fiscaliteit genoemd worden. Het siert het Hof van Cassatie dat men vanuit overwegingen van rechtvaardigheid en billijkheid durft de stelling in te nemen dat rechtszekerheid boven legaliteit moet primeren. Want het is door de complexiteit van de fiscaliteit helemaal niet zo evident meer dat belastingplichtigen en fiscus nog alle fiscale finesses meester zijn. Het nieuwe mijlpaalarrest van het Hof van Cassatie is dan ook een belangrijke stap richting de erkenning van fiscale rechtvaardigheid als algemeen rechtsbeginsel.