• FR
  • NL
  • EN

Fiscaliteit laat zich niet zomaar terugdraaien. Ze rekent af

We hebben een natuurlijke neiging om problemen vooruit te schuiven. De winst van vandaag weegt zwaarder dan de kosten van morgen.

Er zijn ideeën die hun tijd perfect vatten en er zijn ideeën die pas op termijn hun ware aard tonen. De gezinswoning aankopen met de vennootschap behoort tot beide categorieën. Dertig jaar geleden was het advies helder en bijna vanzelfsprekend: ondernemers kochten met de vennootschap. Het was rationeel en mathematisch correct. Investeren met brutogeld in plaats van met overbelaste privé-inkomsten. De kosten waren aftrekbaar, de afschrijvingen drukten de winst en het privégebruik werd fiscaal mild behandeld via een voordeel van alle aard.

Maar fiscaliteit is nooit een momentopname. Het is een traject – en een dat dreigt terug te slaan. Onze bedrijfsleider is intussen met een nieuwe realiteit geconfronteerd: zijn pensioen. De vennootschap die ooit de motor van zijn vermogensopbouw was, is stilgevallen. Maar de kosten blijven. Een woning is dan geen actief meer, wel een verplichting. Zo erodeert de fiscaliteit de liquiditeit. Je moet een marktconforme huur betalen, anders word je fiscaal afgestraft via een voordeel van alle aard, dat overigens steeds meer aan banden is gelegd. In die context zijn het onderhoud en herstellingen beproevingen.

Daar wil iedereen dat die fiscale corrosie stopt. De reflex is om de woning naar het private te halen. Maar fiscaliteit laat zich niet zomaar terugdraaien. Ze rekent af. De eerste in een waterval van belastingen is de vennootschapsbelasting op de latente meerwaarde. De boekhoudkundige waarde van de woning is meestal gering. Maar dat is hier een probleem, omdat de vennootschapsbelasting wordt geheven op het verschil tussen de marktwaarde en de boekwaarde. Die belasting moet kunnen worden betaald vanuit de vennootschap. Als de vennootschap die middelen niet heeft, zal de bedrijfsleider moeten voorschieten. Dat kan hem in de latere stroomversnelling van de registratierechten kopje-onder doen gaan.

De woning dient vervolgens aan de bedrijfsleider privé te worden uitgekeerd als dividend. Dat betekent roerende voorheffing afdragen. Als onze bedrijfsleider onvoorzienend was, is dat 30 procent. Heeft hij in het verleden liquidatiereserves aangelegd, dan kan hij dat tot iets meer of iets minder dan de helft reduceren. En als hij goed gepland heeft en de vennootschap ook meteen kan ontbinden en vereffenen, zelfs tot een derde daarvan.

En dan nog heeft de bedrijfsleider de oever nog niet bereikt. Want de overdracht van onroerend goed gaat ook gepaard met registratierechten. Die bedragen in principe 12 procent. Maar wie als aandeelhouder steeds verbonden is gebleven aan de vennootschap, kan de woning gelukkig verkrijgen tegen een vast recht van 50 euro – via de zogenaamde historischevennootregeling. De vennootschap moet dan wel voldoende eigen vermogen hebben opgebouwd ten belope van minstens de marktwaarde van de woning. Ontbreekt een van beide voorwaarden, dan dreigt alsnog het tarief van 12 procent. Dat kan het geval zijn wanneer de bedrijfsleider de vennootschapsbelasting op de woning had voorgeschoten, zoals eerder aangehaald.

De optelsom is zelden elegant – eerder een financiële draaikolk. Eerlijk, het verrast zelden iemand echt. En toch gebeurt het keer op keer. Dat heeft minder met fiscaliteit te maken dan met menselijk gedrag. We hebben een natuurlijke neiging om problemen vooruit te schuiven. Niet uit onwetendheid, maar uit opportunisme. De winst van vandaag weegt zwaarder dan de kosten van morgen. Tot morgen vandaag wordt en de kosten zich aandienen, vermeerderd met intresten.

Misschien is dat de echte les. Niet dat ooit een slechte keuze is gemaakt. Integendeel: in zijn context was het vaak perfect verdedigbaar. Maar optimalisatie zonder exitstrategie is geen strategie. Het is uitstel. En uitstel, leert de praktijk, is zelden pijnloos.


Mots clés