• FR
  • NL
  • EN

Wanneer een forfait geen forfait mag zijn

Sommige fiscale discussies gaan niet over belastingen, maar over vertrouwen. Dat vertrouwen begint bij een eenvoudige gedachte: wanneer een forfait wordt ingevoerd, mag de belastingplichtige ervan uitgaan dat hij dat forfait kan gebruiken.

Dat uitgangspunt lijkt onder druk te staan bij de fiscale behandeling van onroerende goederen die een vennootschap ter beschikking stelt aan haar bedrijfsleider.

Artikel 18, paragraaf 3, tweede lid KB/WIB 92 bepaalt hoe het voordeel van alle aard wordt berekend wanneer een onroerend goed gratis ter beschikking wordt gesteld. De berekening vertrekt van het kadastraal inkomen. Iedereen kent de kritiek op dat systeem. Het is gebaseerd op decennia oude waarderingen en staat niet altijd in verhouding tot de actuele huurwaarde van een pand. Toch is ervoor gekozen precies dat forfait als referentiepunt te gebruiken.

Een forfait heeft voor- en nadelen. Soms leidt het tot een hogere belasting dan een individuele waardering, soms tot een lagere. Dat is de prijs van rechtszekerheid. Wie een forfait invoert, aanvaardt dat de uitkomst niet altijd perfect zal aansluiten bij de economische realiteit. In de praktijk zien we dat de belastingadministratie de toepassing van dat forfait structureel onvoldoende vindt om de aftrekbaarheid van de kosten en afschrijvingen van het onroerend goed te verantwoorden. Er zijn dossiers waarin een bedrijfsleider de woning gratis ter beschikking krijgt. Dat is een voordeel van alle aard. Indien de bedrijfsleider werkelijke prestaties levert waartegenover die vergoeding staat en de omvang van zijn vergoeding wordt gemotiveerd in de notulen, dan wordt de zogenaamde bezoldigingstheorie correct toegepast en zou de aftrekbaarheid van de afschrijvingen van de woning buiten kijf moeten staan. Dat blijkt niet altijd het geval. De administratie blijft zich in bepaalde dossiers storen aan de beperkte omvang van het forfaitair berekende voordeel in vergelijking met de investeringskosten die de vennootschap heeft gedragen. Vervolgens wordt de klassieke bezoldigingstheorie ter discussie gesteld en worden afschrijvingen op het gebouw verworpen. In de praktijk blijkt dat de administratie minder geneigd is die aftrekbaarheid te aanvaarden, naarmate het bedrag van het aangerekend forfaitair voordeel van alle aard lager is.

Een tweede evolutie is even opmerkelijk. Sommige belastingplichtigen huren het pand van hun vennootschap tegen een vergoeding die aansluit bij de waarde die uit hetzelfde wettelijke forfait kan worden afgeleid. Zij vergoeden dus wat de wetgever kennelijk als relevant voordeel beschouwt. Daar ontstaan gigantische conflicten. De administratie acht de betaalde huur te laag en verwerpt opnieuw de afschrijvingen. Opvallend is de dat de administratie in de regel geen onafhankelijk schattingsverslag of andere objectieve waarderingsmethode voorlegt waaruit de niet-marktconformiteit blijkt. Het feit dat de vergoeding aansluit bij het wettelijke forfait, is voldoende om een controleur te doen concluderen dat de huur niet-marktconform is. Dat leidt tot een merkwaardig resultaat. Zowel wanneer de woning gratis ter beschikking wordt gesteld als wanneer ze wordt verhuurd, vindt de belastingadministratie het forfaitair vastgelegde huurvoordeel te laag. Dit terwijl de belastingplichtige gebruik maakt van een bij koninklijk besluit voorziene waarderingsmaatstaf.

Zo verschuift de discussie van fiscaliteit naar rechtszekerheid. Men kan uiteraard van mening verschillen over de vraag of de forfaitaire waardering nog aansluit bij de economische werkelijkheid. Men kan zelfs verdedigen dat een hervorming wenselijk is. Maar zolang het forfait bestaat, moet de belastingplichtige erop kunnen vertrouwen dat het meer is dan een theoretische oefening.

Misschien is dat wel de fundamentele vraag die achter deze dossiers schuilgaat. Niet of een woning meer of minder waard is dan het forfait suggereert. Wel of een burger mag vertrouwen op de regels die de overheid zelf heeft geschreven. Want een forfait dat alleen aanvaard wordt wanneer het voldoende belasting oplevert, is geen forfait meer. Het is een vermoeden tegen de belastingplichtige.



Mots clés

Articles recommandés

HRM, jobs & training
De expert aan het woord
F.F.F.

Vrijwillige overuren: RSZ-regels, vrijstelling BV en inkomstenbelasting

Gepubliceerd op 22 Aug 2026 bij 05:28
Lezen 2min
Apps, Cloud & Digital
Breaking
F.F.F.

Telefonische oplichting: pas op voor valse telefoontjes van ‘Proximus

Gepubliceerd op 22 Aug 2026 bij 04:00
Lezen 2min