
Met de deadline van de begrotingsdiscussie in zicht, staan de zenuwen strak gespannen. Vooral in ondernemend België vreest men het gelag te moeten betalen, nu de politiek zijn pijlen heeft gericht op de "managementvennootschappen", en er plannen op tafel liggen om de dividend- en de vennootschapsbelasting aan loonmassa te koppelen. Het soms wat extremere politieke discours daaromtrent jaagt de ondernemers de loopgraven in, en leidt tot even extreme emotionele en kortzichtige tegenreacties. En dat is jammer, want hiermee wordt een kans verkeken om een fiscale lange termijnvisie voor de economie uit te tekenen.
Met de deadline van de begrotingsdiscussie in zicht, staan de zenuwen strak gespannen. Vooral in ondernemend België vreest men het gelag te moeten betalen, nu de politiek zijn pijlen heeft gericht op de "managementvennootschappen", en er plannen op tafel liggen om de dividend- en de vennootschapsbelasting aan loonmassa te koppelen. Het soms wat extremere politiek discours daaromtrent jaagt de ondernemers de loopgraven in, en leidt tot even extreme emotionele en kortzichtige tegenreacties. En dat is jammer, want hiermee wordt een kans verkeken om een fiscale lange termijnvisie voor de economie uit te tekenen.
Het is tekenend voor een begrotingsdiscussie dat het in hoofdzaak gaat om plussen en minnen, dat wil zeggen om nieuwe (para)fiscale inkomsten en besparingen op de overheidsuitgaven. Wat men echter al te vaak uit het oog verliest, is dat er eigenlijk nog een derde optie op tafel zou moeten liggen, en dat is economische groei. Economische groei leidt vrij automatisch tot extra (para)fiscale inkomsten, zodat het een gemiste kans zou zijn om deze piste links te laten liggen.
De vraag is dan natuurlijk op welke manier economische groei fiscaal ondersteund kan worden? Dat is geen gemakkelijke vraag, temeer fiscale verandering op heel wat verzet stuit, binnen de werkgeversorganisaties, net zoals de veranderingen op sociaal vlak op even fel verzet stuit binnen de vakbonden. Schieten vanuit de heup brengt ons echter geen stap verder.
Het uittekenen van fiscaal plan voor de economie kan enkel als men de openheid heeft om over ongemakkelijke zaken te debatteren. Ik zet er hierbij een aantal op een rij:
=> Wie moet er fiscaal ondersteund worden: de belegger, de investeerder of de onderneming zelf?
Deze eerste vraag is reeds behoorlijk gevoelig voor de meeste ondernemers, maar over deze vraag moet men toch eens nadenken. Het ondersteunen van beleggers (via bv een fiscaalvriendelijke beleggersrekening) of investeerders (via bv verlaagde roerende voorheffing en een belastingvermindering voor investeringen in start-ups), het lijkt mooi, maar is het dat wel? De fiscale incentives in de personenbelasting voor beleggers en investeerders moet men immers ook toekennen voor buitenlandse beleggingen en investeringen, door het Europees vrij verkeer van kapitaal. Moeten we met de beperkte budgettaire ruimte die er is, fiscale incentives toekennen voor zaken die onze economie niet ten goede komen? Ik meen van niet.
Vandaar dat men de fiscale focus beter legt op het ondersteunen van de ondernemingen zelf, bv via fors lagere tarieven van de vennootschapsbelasting. Een dergelijke maatregel kan wel beperkt blijven tot de Belgische bedrijven, en er ook toe leiden dat buitenlandse bedrijven zich terug in België komen vestigen. En het spreekt voor zich dat een lagere vennootschapsbelasting in tweede orde ook sowieso ten goede komt van de belegger en de investeerder.
Maar raken aan de fiscale positie van de belegger en de investeerder, in ruil voor een lagere vennootschapsbelasting, het is voor de meeste ondernemers een no pasaran.
=> Moeten bedrijven met substantiële tewerkstelling fiscaal bevoordeeld worden?
Op de regeringstafel ligt thans een voorstel om de dividend- en vennootschapsbelasting te differentiëren in functie van loonmassa. Opnieuw wordt er moord en brand geschreeuwd. Maar is dat wel terecht? Arbeid blijft nog steeds de belangrijkste factor voor de financiering van de verzorgingsstaat, en zal dat ook blijven. Maar met de toenemende vergrijzing en de potentiële negatieve impact van AI op de arbeidsmarkt, moeten we fors fiscaal gaan inzetten op tewerkstelling. Volgens Statbel waren er in 2023 voor elke 67-plusser in totaal 3,7 beroepsactieven tussen 18 en 67 jaar. In 2040 (overmorgen dus) zijn er dat nog 2,8 en in 2070 nog slechts 2,4.
Vandaar dat het toekennen van fiscale incentives aan bedrijven met substantiële tewerkstelling eigenlijk een noodzaak is om tewerkstelling aan te moedigen. Hoe groter de loonmassa, hoe lager de belastingdruk in de vennootschapsbelasting, dat zou eigenlijk het principe moeten zijn. Maar ook dat ligt gevoelig - getuige de discussie over de zogenaamde "managementvennootschappen" - en dat principe is opnieuw voor de meeste ondernemers een no pasaran.
=> Hoe moet de verlaging van de belastingdruk op arbeid (loonlasten) gecompenseerd worden?
De belastingdruk op arbeid is te hoog. Daarvoor worden we jaar na jaar bekritiseerd door de OESO, de Europese Commissie en het IMF. Om de economie te stimuleren en werkgelegenheid te creëren (zie de punten hiervoor) moet hier ingegrepen worden. De belastingdruk (alleenstaande zonder kinderen) in België bedraagt 52%, de hoogste druk in de OESO. In Nederland is dat 35%. De belastingdruk moet dus substantieel naar omlaag, maar de budgettaire impact daarvan is enorm, zodat dit enkel kan via een taxshift richting consumptie en vermogen. Maar ook ligt moeilijk, zoals het verzet tegen de BTW-verhoging van partij MR onlangs heeft aangetoond.
Nochtans zit hier ook een logica achter. Als de belastingdruk voor de ondernemingen zelf (lagere tarieven in de vennootschapsbelasting) en de belastingdruk op arbeid substantieel wordt verlaagd, dan geven we als maatschappij enorm veel financiële vrijheid aan ondernemingen om te ondernemen en om mensen tewerk te stellen. Is het dan zo vreemd dat wie profiteert van dat ondernemerschap, via het ontvangen van dividenden en meerwaarden op aandelen, een hogere fiscaliteit zou moeten ondergaan? Is dit geen logische quid pro quo? Blijkbaar niet voor de meeste ondernemers. De nieuwe meerwaardebelasting op financiële vaste activa, die eigenlijk ook een compenserende maatregel is voor de geplande verhoging van de belastingvrije som (verlaging van de belastingdruk op arbeid), wordt op alle vlakken afgeschoten.
De zoektocht naar een nieuwe fiscale architectuur die het ondernemerschap ondersteunt, is bijzonder moeilijk. De vraag is vooral waar de focuspunten moeten worden gelegd en op basis van welke logica het systeem moet worden uitgetekend. Dat vereist een open debat en dat is momenteel onmogelijk. Deels is dat te wijten aan het politieke discours, maar evenzeer is dat te wijten aan de houding van de ondernemerswereld. Politici kan men electorale kortzichtigheid verwijten. Maar vanuit de ondernemerswereld zou men de politieke kortzichtigheid toch moeten kunnen overstijgen en met het gezond verstand dat eigen is aan de ondernemers, een fiscaal toekomstplan voor de economie kunnen voorstellen. Maar daarvoor moet men eerst uit de loopgraven komen.